Ruhrburo: 'Moedig Voorwaarts!' een reisverslag

'Moedig Voorwaarts!'

Reisverslag door Marie-José van Beckhoven (dit artikel is verschenen in het tijdschrift OOST in januari 2010)

Steeds meer reisorganisaties bieden excursies aan langs de highlights van het industrieel erfgoed van het Ruhrgebied. Dit jaar culturele hoofdstad van Europa en hemelsbreed amper 40 km verwijderd van onze oostgrens. Én streek met alarmerende krimpcijfers. Redenen te over voor een expeditie met Het RUHRBURO onder leiding van beeldend kunstenaar Hans Jungerius.

‘MOEDIG VOORWAARTS!’

DAGTOCHT NAAR HET RUHRGEBIED

Veelzeggend is het feit dat zijn eigen verzameling nauwelijks foto’s bevat van de onbetwiste hoogtepunten van het industrieel erfgoed- des te meer van het typische, door industrie uitgeputte landschap van de Ruhrstreek. Beeldend kunstenaar Hans Jungerius zwerft al twintig jaar door dit gebied. Sinds kort woont hij niet alleen in Arnhem maar ook in Oberhausen. Hij houdt van plekken die toeristen doorgaans mijden, maar zijn werk getuigt van een missie om daar verandering in te brengen. Althans: om onze aandacht te vestigen op een gebied met een interessante biografie waarvan de sporen goed zichtbaar zijn gebleven. Het is een fascinatie die hij deelt met Rob Groot Zevert met wie hij Stichting G.A.N.G. runt, ‘platform voor beeldende kunst’, standplaats Arnhem. En met zijn kompanen van het aan G.A.N.G. gekoppelde RUHRBURO: Boris Sieverts (beeldend kunstenaar, Keulen), Mustafa Tazeoglu (film- en televisiemaker, Essen) en Dirk Haas (geograaf en stedenbouwkundige, Essen). Belangrijkste doelstelling vormt hun streven de bekendheid van het Ruhrgebied in Nederland te vergroten. En om culturele vormen van samenwerking en uitwisseling in de grensregio tot stand te brengen. Eén van hun vele plannen is project Bootschaft: de aankoop van een duwbak die voorzien van een tentoonstellingsruimte en auditorium het Ruhrgebied binnen zal varen. Een drijvende ambassade op tournee die en passant reclame maakt voor de kandidaatstelling van stadsregio Arnhem - Nijmegen als culturele hoofdstad 2018. Een andere manier om de Ruhrstreek onder de aandacht te brengen, vormen de dagtrips.

Het zwarte goud.

Na een inleiding van Hans Jungerius in de rol van reisleider, afgesloten met de woorden ‘Moedig voorwaarts!’, kruipt de bus een van de hoogste afvalbergen in de regio op. Even later staan we, de Kaffee und Kuchen moeten worden verdiend, koukleumend op de skipiste van het Alpinecentrum in Bottrop. Met 640 meter de langste indoor-skihelling ter wereld. Per dag kunnen hier 2.000 mensen terecht om te skieën en te sleeën, óók als de mussen van het dak vallen. Het hooggelegen terras van de in alpenhut-stijl ingerichte horecagelegenheid biedt uitzicht op het landschap. De zon schijnt en uit de grootste kolenvergasser van Europa ontsnappen schilderachtige bloemkoolwolken.

Het Ruhrgebied, in deelstaat Nordrhein-Westfalen, vormt een zeer markant voorbeeld van wat overhaaste groei en krimp in een gebied kunnen bewerkstelligen. Het gaat om grofweg zo’n 80 bij 50 kilometer, in het zuiden begrensd door het riviertje de Ruhr en in het noorden door de Lippe. Westgrens vormt de Rijn tussen Duisburg en Dinslaken en de steden Hamm en Hagen markeren de oostrand. Midden in dit gebied tussen de laatste heuvels van het Rheinische Schiefergebirge stroomt de Emscher. Ruim honderdvijftig jaar geleden was dit nog een dunbevolkte en armzalige, agrarische streek met heidevelden en zandgronden. Toen rond 1830 de diepere steenkoollagen toegankelijk werden, brak de Industriële Revolutie aan. De vette steenkool die bij de Emscher werd bovengehaald was zeer geschikt voor de productie van cokes, de brandstof voor de ijzerwinning. Aldus voegde zich bij de mijnbouw de staalindustrie. Deze beide takken van zware industrie, met later nog de elektrotechnische en chemische industrie erbij, zouden karakter en aanzien van het gebied drastisch wijzigen. Zo veranderde het landelijke gebied in rap tempo in de grootste industrie-metropool van Europa. Chaotisch groeiend klonterden dorpjes en stadjes samen tot één agglomeratie, waar op het hoogtepunt 6 miljoen mensen woonden. Ruw geschat zo’n 1150 inwoners per km2, bijna tweeënhalf keer zoveel als in het dichtbevolkte Nederland! Rond de jaren zestig keerde het tij en kwam de klad in de zware industrie. De vraag naar steenkool kelderde. Bovendien werd het simpelweg veel goedkoper om ‘het zwarte goud’ dat in steeds diepere aardlagen verborgen zat, per schip aan te voeren. Van de 600 mijnen zijn er nu nog maar enkele in bedrijf en die zullen naar verwachting uiterlijk 2018 dicht gaan. Ook de meeste hoogovencomplexen sloten de poorten. Fabrieken raakten in verval en fabrieksterreinen kwamen braak te liggen. De werkloosheid groeide schrikbarend en de mensen begonnen weg te trekken. Over die teloorgang rollen vergrijzing en de huidige, wereldwijde recessie.

Over krimp gesproken: inmiddels is het bevolkingsaantal met bijna één miljoen gedaald. In Oberhausen, zonder hogescholen of universiteit, verlaten vandaag nog naar schatting 5 tot 8.000 mensen per jaar de stad. Alle steden zijn failliet en staan onder curatele van Düsseldorf, vertelde Jungerius ons. Zijn ‘Moedig voorwaarts!’, begon een andere klank te krijgen.

Surrealistisch decor.

Maar niet alleen demografische krimp en economische teruggang kenschetsen de recente historie van het Ruhrgebied. Met een zeldzame stoutmoedigheid heeft men die ontwikkelingen het hoofd geboden en oplossingen gevonden in ‘herbestemming’ en ‘herstructurering’. In deze grootschalige metamorfose speelde de Internationale Bauausstellung (IBA) Emscherpark 1989-1999 een cruciale rol. De IBA vormde de schakel in de fondswerving en zorgde voor de noodzakelijke regionale planning en samenhang tussen de talloze projecten in een gebied van achthonderd km2, met zeventien steden en twee miljoen inwoners. Opzienbarend in dit hele proces is de omgang met de industriële erfenis. In het Emscher Landschaftspark, echt een nieuw type park, is die overal zichtbaar en feitelijk bepalend voor sfeer en beeld. Voormalige industriegebouwen verdwijnen hier niet rücksichtlos onder de sloophamer, zoals in Nederland op heel veel plekken is gebeurd. Een groot aantal kreeg inmiddels de status van beschermd monument. Zeche Zollverein in Essen [Zeche = mijn], ook bezoekerscentrum van de toeristische Route der Industriekultur, staat zelfs op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO. Andere gebouwen kregen een tweede leven als wetenschapscentrum of bedrijfsonderkomen, zoals het prachtige hoofdgebouw van mijncomplex Zeche Nordstern in Gelsenkirchen. En veel nieuwe bestemmingen worden gevonden in de kunst- en cultuursector, of in de sport en recreatie. Zo werd de voormalige gashouder in Landschaftspark Duisburg-Nord gevuld met water. Dat verklaarde ook de plotselinge aanwezigheid op de parkeerplaats van mannen met duikpakken en gasflessen onder de arm. De plek van de ertsbunkers heet er nu Klettergarten [ klimtuin]. In een surrealistisch decor van massief betonnen, metershoge wanden bungelen bergbeklimmers aan hun touwen. Zo werd de Ruhr een landschappelijk monument voor het aanpassingsvermogen van de mens aan zijn omgeving - en vice versa.

Adembenemende onderneming.

Jungerius voorliefde voor de esthetiek van stedelijke ruis, voor de contrasten en de ‘achterkant’ van de publieke ruimte tekent de route. We krijgen niet alleen de vriendelijke arbeidershuisjes van Gartenstadt Weltheim uit het begin van de 20ste eeuw te zien. De bus rijdt er ook langs het dorpspleintje met de metershoge ‘Luftschutzbunker’, gebouwd ter bescherming van een nabijgelegen terrein waar de nazi’s kolen tot benzine vergasten. We bezoeken niet alleen de industriële monumenten. Hans Jugerius wijst ons even enthousiast op de karakteristieke drankkioskjes, de bovenmatig vele bouwmarkten en tuincentra en op de Aldi’s en Lidl’s met onafzienbare parkeerplaatsen. Soms houdt de bus halt op plekken waar ‘niks’ te zien is. Zoals het braakliggend terrein bij Oberhausen, dat tot het faillissement eigendom was van de Gutehoffnungshütte [Hütte = hoogoven]. Daarna kreeg het de veelbelovende naam Zukunftspark en werden er voortvarend wegen en rotondes aangelegd, maar de werkelijkheid hield geen rekening met optimistische groeiprognoses. In plaats van bedrijven bloeien er nu vlinderstruiken en berken, de pioniers van het plantenrijk die niet malen om sintels, beton en zwaar vervuilde grond. Ook wortelden er allerlei exoten, meegevoerd met de ijzererts uit Brazilië. We struinen dwars door deze Industrienatur richting CentrO, het mega-winkelcentrum dat als een luchtspiegeling boven de dorre planten zweeft. Dwars door het winkelend publiek bereiken we, via de achteruitgang (!) de uitgaansstrip met talloze cafés, restaurants, een bioscoopcomplex, muziektheater en pretpark. Vlak daarachter bevindt zich de 120 meter hoge Gasometer Oberhausen, in gebruik als tentoonstellingsruimte. Een glazen lift voert naar het 120 meter hoge dak. Het laatste stuk moet op spierkracht: voor de medemens met hoogtevrees een adembenemende onderneming, vandaag des te meer dankzij de wind die giert rond het open trappenhuis. Maar het uitzicht is spectaculair. De groen- en oranjekleurige gifluchten opgeslagen in mijn jeugdherinneringen zijn onvindbaar, maar de forse rookpluimen her en der doen de benaming ‘Ruhrpott’ toch eer aan. Onvermoeibaar wijst onze gids ons op het dichte netwerk van verkeers-, spoor- en vaarwegen. Op de koeltorens en industriecomplexen, de oude mijnschachten en de dominant in het landschap aanwezige ‘Halden’ [= stortbergen van de mijnen]. We verbazen ons erover dat dit zo dichtbevolkte, verstedelijkte industrielandschap zo onwaarschijnlijk groen is. Een paar decennia geleden was dat nog heel anders, maar nu maakt zelfs natuurschoon behoedzaam zijn rentree.


Marie-José van Beckhoven